Beleggingsclaims
Beleggingsclaims zien op vorderingen van bezitters van effecten of andere financiële instrumenten of beleggingsobjecten tegen degene die deze heeft uitgegeven, of aan hen heeft aangeboden of verkocht. Hieronder geven wij u uitleg over veel voorkomende beleggingsclaims, en de mogelijke juridische procedures die daarover kunnen worden gevoerd. Ons kantoor is gaarne bereid om u aangaande beleggingsclaims te adviseren over uw juridische positie en om u zo nodig in onderhandelingen of in een procedure bij te staan.
Wanneer de effecten, financiële instrumenten of beleggingsobjecten zijn aangekocht via bemiddeling of op advies van een financiële instelling, kan onder omstandigheden ook deze instelling aansprakelijk worden gesteld in een financiële klachtzaak.
Neemt u ook kennis van de disclaimer.
1. Veel voorkomende beleggingsclaims
- 1.1 Gebrekkig of misleidend prospectus bij uitgifte van effecten
- 1.2 Marktmisbruik bij beursgenoteerde effecten
- 1.3 Misleidende jaarrekening of jaarverslag
- 1.4 Beleggingsfraude
1.1 Gebrekkig of misleidend prospectus bij uitgifte van effecten
Volgens de wet is degene die bij uitgifte effecten aanbiedt aan het publiek, verplicht om hierbij een door de financiële toezichthouder AFM goedgekeurd prospectus algemeen verkrijgbaar te stellen. Indien de uitgevende instelling is gevestigd in een andere EU lidstaat, dient de goedkeuring te worden gegeven door de financiële toezichthouder in die andere lidstaat. De prospectusplicht geldt niet als de effecten uitsluitend worden aangeboden aan bepaalde professionele of institutionele beleggers (‘gekwalificeerde beleggers’), of aan minder dan 100 niet-gekwalificeerde beleggers of als de effecten een nominale waarde of koopprijs van minimaal € 50.000 per stuk hebben. Buiten die gevallen is het aanbieden van effecten zonder goedgekeurd prospectus strafbaar en onrechtmatig. Dit doet zich voor als er helemaal geen prospectus is, of als het prospectus niet door de AFM is goedgekeurd. In dat geval kan degene die de effecten heeft aangeboden, aansprakelijk worden gesteld.
Een prospectus kan daarnaast ook misleidend zijn, omdat het onjuiste informatie bevat of daarin juist essentiële informatie wordt verzwegen, en de betreffende informatie van belang is voor de beoordeling van het vermogen, de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van de onderneming of instelling die de effecten uitgeeft of, als sprake is van een garantie, van degene die deze garantie geeft, of de rechten die aan de effecten verbonden zijn. Wanneer sprake is van een misleidend prospectus, kan naast de effecten uitgevende instelling, ook degene die de inhoud van het prospectus (mede) heeft vastgesteld, aansprakelijk zijn, zoals de banken (syndicaat) die de effecten aanbieden of het aanbod begeleiden. Ook de accountant die in het prospectus bepaalde verklaringen heeft afgelegd over de getrouwheid van de daarin opgenomen financiële gegevens, kan aansprakelijk zijn.
Terug naar boven1.2 Marktmisbruik bij beursgenoteerde effecten
De Wet Financieel Toezicht bevat regels die moeten waarborgen dat de koersen van beursgenoteerde effecten op een eerlijke, en transparante manier tot stand komen. Deze regels houden onder meer in dat koersgevoelige informatie voor alle beleggers gelijktijdig beschikbaar moet zijn, dat de koersen niet mogen worden gemanipuleerd door het verrichten van (schijn)transacties of het verspreiden van onjuiste informatie, dat het personen die beschikken over voorwetenschap verboden is om transacties te verrichten in de effecten waarop deze voorwetenschap betrekking heeft en dat beleggingsaanbevelingen van bijvoorbeeld analisten of banken op waarde kunnen worden geschat.
Wanneer koersgevoelige informatie niet, of te laat, wordt gepubliceerd, kunnen beleggers hierdoor schade lijden. Denk bijvoorbeeld aan het niet (tijdig) corrigeren van eerder afgegeven omzet of winstprognoses, gebeurtenissen die een (sterk) negatieve invloed kunnen hebben op de omzet of winst van de onderneming of (onderhandelingen over) belangrijke strategische samenwerking, fusie of overname of het afbreken daarvan. Wanneer de koersgevoelige informatie een significante invloed heeft op de koers, en gedurende langere tijd is verzwegen, kan de schade voor beleggers zeer aanzienlijk zijn. De effecten uitgevende instelling, en haar bestuur, kunnen aansprakelijk zijn tegenover beleggers die effecten hebben gekocht of verkocht vóórdat de koersgevoelige informatie is gepubliceerd, maar ná het eerdere moment waarop deze al had moeten worden gepubliceerd.
Door marktmanipulatie of handel met voorwetenschap kunnen beleggers worden benadeeld doordat zij hun effecten hebben gekocht tegen een hogere koers, of hebben verkocht tegen een lagere koers, dan de koers die zou hebben gegolden zonder deze manipulatie of handel. Dit doet zich voor als de manipulatie of handel een merkbare invloed hebben gehad op de koersen. Dit zal zich vooral voordoen in kleinere fondsen waarin relatief weinig handel is, dan wel wanneer de manipulatie of handel ziet op transacties van zeer grote omvang. In veel gevallen komt het niet tot een claim van beleggers tegen de overtreders, omdat de overtreding niet bekend wordt of omdat de door de beleggers geleden schade te gering is. Wel wordt in die gevallen regelmatig bestuursrechtelijk of strafrechtelijk tegen de overtreder opgetreden.
Terug naar boven1.3 Misleidende jaarrekening of jaarverslag
De jaarrekening dient een getrouw beeld te geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming of instelling die de effecten heeft uitgegeven. In het jaarverslag wordt door het bestuur en de eventuele raad van commissarissen verantwoording afgelegd over het gevoerde beleid. Deze informatie is van belang voor de beoordeling van de waarde, en de mogelijke waardeontwikkeling van de effecten. Indien de jaarrekening of het jaarverslag onjuiste informatie bevatten, of hierin essentiële informatie wordt verzwegen, kunnen beleggers geen verantwoorde beleggingsbeslissingen nemen. Meestal wordt de waarde van de onderneming, en daarmee de waarde van de effecten, te positief voorgesteld, zodat beleggers de aandelen tegen een te hoge koers kopen, of hun aandelen aanhouden waar zij deze anders, bij een juiste voorstelling van zaken, zouden hebben verkocht. Het bestuur en de commissarissen van de uitgevende instelling, en de accountant die een accountantsverklaring heeft afgelegd over de jaarrekening, kunnen dan aansprakelijk zijn.
Terug naar boven1.4 Beleggingsfraude
Onder beleggingsfraude wordt verstaan het plegen van strafbare feiten bij het aanbieden, de verkoop of de handel of bemiddeling in effecten. Dit kan overtreding van specifieke financiële wetgeving zijn, maar ook van commune strafbepalingen, zoals oplichting.
Een veel voorkomende vorm van beleggingsfraude bij de uitgifte van effecten is dat het geld van de beleggers niet, of niet volledig, wordt belegd, maar opgaat aan kosten van en vergoedingen van degenen die de belegging aanbieden of beheren. Vaak is dan sprake van oplichting, verduistering of valsheid in geschrift. Een bijzondere vorm is een zogenoemde ‘Ponzifraude’. Dit is een soort piramidespel waarbij de inleg van latere beleggers wordt gebruikt om rendementen uit te keren aan eerdere beleggers. Hierdoor lijken de beloofde rendementen aanvankelijk te kunnen worden waargemaakt, waardoor steeds meer beleggers toestromen. Op enig moment is er echter onvoldoende nieuwe inleg om de rendementen aan de eerdere beleggers te kunnen (blijven) uitkeren. De effecten uitgevende instelling stopt dan de betaling van de toegezegde rendementen. In veel gevallen eindigt een dergelijke beleggingsfraude in het faillissement van de effecten uitgevende instelling, waardoor de effecten waardeloos worden en de belegger zijn investering kwijt is.
Een vorm van beleggingsfraude bij de handel in effecten is de zogenoemde ‘boiler room’ fraude. Hierbij worden beleggers benaderd om te beleggen in, meestal buitenlandse, effecten die opmerkelijke koersstijgingen laten zien. De belegger wordt overgehaald om met een relatief klein bedrag in te stappen, en vervolgens wordt hem enkele malen een leuke winst gegund. Uiteindelijk stapt hij met een groot bedrag in, waarna de koers opeens keldert en hij zijn geld kwijt is. Ogenschijnlijk is dit het gevolg van tegenvallende marktomstandigheden. De praktijk is echter dat de effecten uitgevende instelling meestal nagenoeg geen activiteiten of financiële middelen heeft, zodat de aangeboden effecten waardeloos zijn. Zonder dat de belegger dit weet, fungeert de fraudeur zelf als koper en verkoper van de effecten. Aanvankelijk verkoopt hij een klein deel van zijn effecten voor een lage prijs, en koopt deze later voor een hogere prijs terug, waardoor de koers oploopt. De belegger heeft dan winst gemaakt. Wanneer beleggers vervolgens voor veel grotere bedragen effecten gaan kopen, verkoopt de belegger zijn effecten tegen de hogere koers, en daarna koopt hij niets meer terug. De vraag naar de effecten valt dan nagenoeg geheel weg, waardoor de koers sterk daalt.
In veel gevallen is het voor slachtoffers van een beleggingsfraude moeilijk om hun schade op de fraudeur te verhalen. Deze is vaak spoorloos verdwenen, heeft het geld al uitgegeven of hij heeft zijn bezittingen op naam van één of meer andere personen gezet. In die gevallen is het vaak zinvol samen te werken met de faillissementcurator (als de effecten uitgevende instelling failliet is verklaard) en/of het Functioneel Parket van Justitie (als er een strafrechtelijk onderzoek of vervolging is ingesteld). De curator en justitie beschikken over bijzondere dwangmiddelen om verhaalsmogelijkheden op te sporen en veilig te stellen, en om de fraudeur te dwingen opgave te doen van bezittingen en om de gedupeerden terug te betalen. Ook kunnen de beleggers zich als benadeelde partij stellen in een strafzaak.
Soms kunnen naast de fraudeur ook anderen aansprakelijk worden gesteld. Hierbij gaat het om personen of instellingen die, soms onbedoeld of onbewust, medewerking hebben gegeven aan de fraude. Bijvoorbeeld een bank die betalingen van beleggers ontvangt en doorbetaalt aan de fraudeur, een financiële adviseur die klanten bij de fraudeur aanbrengt of een adviseur die heeft meegeholpen met het opzetten van de fiscale of juridische structuur van de frauduleuze belegging of die de administratie heeft gevoerd. Hiervoor is wel vereist dat deze persoon of instelling wist of behoorde te weten dat sprake was van fraude, of althans ernstig rekening moest houden met deze mogelijkheid, en daarom geen medewerking had mogen geven of de beleggers had moeten waarschuwen. Zij bieden soms aanmerkelijk meer verhaal dan de fraudeur, al dan niet via een door hen gesloten beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Het is daarom zinvol om te onderzoeken welke derden aansprakelijk kunnen worden gesteld.
Terug naar boven2. Mogelijke juridische procedures
Beleggingsclaims zien op de relatie tussen de belegger en de onderneming of instelling die de effecten, financiële instrumenten of beleggingsobjecten heeft uitgegeven of aangeboden. Beleggingsclaims worden meestal behandeld door de Rechtbank als de uitgevende instelling of de aanbieder in Nederland is gevestigd. Ook als de uitgevende instelling of de aanbieder in het buitenland is gevestigd, is de Nederlandse rechter bevoegd als het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan, als er meer gedaagden zijn in een zaak met voldoende samenhang en minimaal één van hen in Nederland is gevestigd of als de zaak voldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden en het onaanvaardbaar is om de eiser bij een buitenlandse rechter te laten procederen.
Een procedure bij de Rechtbank start met het uitbrengen van een dagvaarding aan de gedaagde financiële instelling. Deze dagvaarding omvat de (schade)vorderingen en de gronden daarvoor. De gedaagde krijgt hierna gelegenheid om schriftelijk te reageren in een zogenoemde Conclusie van Antwoord. Meestal worden de partijen hierna opgeroepen om bij de rechter te verschijnen in een zogenoemde Comparitie van Partijen. Deze Comparitie geeft de rechter de gelegenheid om rechtstreekse vragen te stellen aan de betrokken partijen, om de mogelijkheden van een schikking te onderzoeken of, als dit niet mocht lukken, afspraken te maken over het verdere verloop van de procedure. Het kan zijn dat één of beide partijen een bewijsopdracht krijgen, bijvoorbeeld door het horen van getuigen of deskundigen. In andere gevallen kan de rechter ná de Comparitie een uitspraak (vonnis) doen. Partijen hebben de mogelijkheid om tegen het vonnis in hoger beroep te gaan bij het Gerechtshof. De procedure bij het Hof bestaat uit een wisseling van schriftelijke processtukken (Memorie van Grieven van de partij die in hoger beroep gaat en Memorie van Antwoord van de andere partij), eventueel gevolgd door een pleidooi. De zaak kan ook beginnen met een Comparitie na Aanbrengen. Dit is een zitting bij de rechter met de partijen die plaatsvindt nog vóórdat de inhoudelijke processtukken door de partijen zijn ingediend.
Bij een belegging kan ook een financiële instelling betrokken zijn, die heeft bemiddeld bij of geadviseerd over de aankoop of verkoop van de beleggingen. De relatie tussen de belegger en deze instelling kan aanleiding geven tot een financiële klacht. Deze financiële klacht moet worden onderscheiden van de beleggingsclaim. Vaak kan deze financiële klachtzaak tegen de financiële instelling worden voorgelegd aan het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KIFID). Voor een beschrijving van de klachtprocedure bij KIFID klikt u hier.
Terug naar boven