Financiële klachtzaken

Financiële klachtzaken

Financiële klachtzaken zien op een geschil tussen een financiële instelling en een individuele klant over financiële dienstverlening. Hieronder geven wij u uitleg over veel voorkomende klachten rondom financiële dienstverlening (met nadruk op beleggingsproducten), en de mogelijke juridische procedures die daarover kunnen worden gevoerd. Ons kantoor is gaarne bereid om u over deze klachten, of bij andere klachten over financiële diensten en producten, te adviseren over uw juridische positie en mogelijkheden en om u zo nodig bij te staan in onderhandelingen met de financiële instelling of in een procedure.

Wanneer sprake is van een belegging, kan soms naast de financiële instelling die hierin heeft bemiddeld of deze heeft geadviseerd, ook de aanbieder van de effecten, financiële instrumenten of beleggingsobjecten aansprakelijk worden gesteld in een beleggingsclaim.

Neemt u ook kennis van de disclaimer.

1. Veel voorkomende klachten

2. Mogelijke procedures

1. Veel voorkomende klachten

1.1 Beleggen: onjuiste portefeuille samenstelling (asset allocatie)

De samenstelling van uw beleggingsportefeuille dient aan te sluiten bij uw klantprofiel. Dat betekent dat het verwachte rendement en risico van uw portefeuille moet passen bij uw beleggingsdoelstelling, uw beleggingshorizon, uw financiële positie (inkomen en vermogen) en uw risicohouding. Onder beleggingsdoelstelling wordt verstaan het doel waarvoor u de opbrengst van de beleggingen nodig heeft. Denk hierbij aan aanvulling inkomen (nu of in de toekomst, aflossing hypotheek/krediet, aankoop woning of algemene vermogensopbouw. Onder beleggingshorizon wordt verstaan de tijd die ligt tussen het moment van aankoop van de beleggingen en het moment dat u voor het eerst een opbrengst van de beleggingen nodig heeft. Bij een directe inkomensbehoefte, zal dit direct zijn. Bij aflossing van een krediet, of opbouw van een pensioen, is vaak sprake van een langere termijn. Bij de beoordeling van uw financiële positie is vooral van belang of u in staat bent om de verplichtingen die uit de beleggingen voortvloeien, te voldoen, en of u in staat bent om eventuele beleggingsverliezen op te vangen. Vooral wanneer sprake is van een inkomensdoelstelling of een ander doelkapitaal (aflossing krediet, aankoop woning), is het van belang dat tegenvallende rendementen kunnen worden opgevangen. Onder risicohouding wordt verstaan de mate van risico die u wilt lopen. Dit in tegenstelling tot de mate van risico die u kunt lopen, die vooral wordt afgeleid uit uw doelstelling, beleggingshorizon en financiële positie.

Wanneer de samenstelling van uw portefeuille niet aansluit bij uw klantprofiel, is mogelijk sprake van aansprakelijkheid van uw bank of beleggingsadviseur, wegens schending van de zorgplicht en/of onjuist advies of vermogensbeheer. Of hiervan sprake is, is mede afhankelijk van het type relatie dat u met uw bank of adviseur heeft: voert deze alleen door u opgegeven effectenorders uit (‘execution only’), dan is minder snel sprake van schending van de zorgplicht dan wanneer sprake is van een volledige adviesrelatie waar wordt belegd volgens een door de bank of adviseur samengestelde (model)portefeuille, of vermogensbeheer. Ook is van belang in welke mate u verondersteld wordt met bepaalde risico’s bekend te zijn op basis van eerdere ervaring met soortgelijke beleggingen en/of door verstrekte informatie. Naarmate sprake is van meer kennis aan uw kant, zal de aansprakelijkheid minder groot zijn.

Terug naar boven

1.2 Beleggen: onvoldoende spreiding

Onvoldoende spreiding houdt in dat uw vermogen in slechts één of enkele effecten is belegd, of in effecten van slechts één of enkele uitgevende instellingen. Een koersverlies op één effect, of een verslechtering van de financiële toestand van één uitgevende instelling, heeft dan een grote invloed op de waarde van uw vermogen. Een faillissement van deze instelling zorgt er voor dat uw belegging dan praktisch waardeloos wordt. Onvoldoende spreiding is een vorm van onjuiste portefeuille samenstelling.

Terug naar boven

1.3 Beleggen met geleend geld (effectenkrediet)

Bij effectenkrediet staat de bank toe dat u tot een bepaald bedrag ‘rood staat’ (debetsaldo) op de geldrekening die aan uw effectenrekening is gekoppeld. De limiet van het debetsaldo wordt vastgesteld op basis van de zogenoemde ‘dekkingswaarde’ (onderpandwaarde) van de effecten op uw effectenrekening. De dekkingwaarde is doorgaans een % van de koers van het betreffende effect. Indien sprake is van sterke volatiliteit (koersdalingen) van een effect en/of verlaging van de kredietwaardigheid (‘rating’) van de uitgevende instelling, kan de bank de dekkingwaarde verlagen of zelfs op 0% stellen. Aan opties en andere derivaten en niet of slecht verhandelbare effecten wordt doorgaans geen dekkingwaarde toegekend. Soms stelt de belegger aanvullende zekerheid, bijvoorbeeld een (tweede) hypotheek op zijn woning.

Wanneer sprake is van effectenkrediet, is de bank verplicht om u expliciet te wijzen op de hieraan verbonden risico’s, in het bijzonder het risico van een restschuld. De waarde van de verpande effecten kan immers onvoldoende zijn om het debetsaldo aan te zuiveren. Als de bank dit nalaat, kan sprake zijn van schending van de zorgplicht en/of informatieplicht. De bank kan dan onder omstandigheden aansprakelijk zijn voor (een deel van) de restschuld.

Voorts is de bank verplicht om er op te letten dat het debetsaldo op uw geldrekening(en) de toegestane limiet niet overschrijdt. Wanneer de limiet is overschreden, is de bank verplicht om u hierop te wijzen – bij voorkeur schriftelijk – en u te verzoeken het tekort op te heffen door extra zekerheden te stellen en/of geld op de geldrekening bij te storten. Laat u dit na, dan is de bank verplicht om zelf in te grijpen en (een deel van) de effecten te verkopen om het tekort aan te zuiveren. Ook is het de bank verboden om nieuwe effecten voor u aan te kopen zolang er sprake is van een dekkingtekort. Als de bank handelt in strijd met deze verplichtingen, kan de bank aansprakelijk zijn voor eventuele (verdere) koersverliezen die worden geleden ná het ontstaan van het dekkingstekort.

Tot slot kan beleggen met geleend geld ook in strijd zijn met uw klantprofiel. Bijvoorbeeld omdat u, gelet op uw doelstelling, belegginghorizon en/of financiële positie, de hieraan verbonden risico’s niet kunt lopen. In dat geval kan sprake zijn van schending van de zorgplicht. Hiervan kan ook sprake zijn, indien de aan het krediet verbonden kosten (rente en eventuele afsluitkosten), hoger zijn dan het redelijkerwijs te verwachten rendement van de met het krediet aangekochte effecten (bijvoorbeeld bij staatsobligaties met een lage rente). In een dergelijke situatie is de beleggingsconstructie per definitie verliesgevend.

Terug naar boven

1.4 Opties, termijncontracten en margin tekorten

Derivaten, zoals opties of termijncontracten, bieden een belegger de mogelijkheid om met een relatief beperkte inleg, een aanzienlijk bedrag te winnen of te verliezen (hefboom effect). Binnen de categorie opties kan een onderscheid worden gemaakt tussen ‘gekochte opties’ en ‘verkochte’ (of ‘geschreven’) opties. Bij gekochte opties, en daarop lijkende financiële instrumenten zoals warrants, krijgt de belegger – na betaling van een premie – het recht om gedurende of aan het einde van de looptijd van de optie bepaalde onderliggende waarden (meestal effecten) te kopen (calloptie) of verkopen (putoptie) tegen een vooraf overeengekomen uitoefenprijs. De belegger kan hooguit de door hem betaalde premie verliezen, maar niet meer. Hij is niet verplicht tot bijbetaling. Opties zijn contracten die door de optiebeurs zelf worden uitgegeven, en waarbij de tegenpartij anoniem blijft. Warrants worden doorgaans uitgegeven door een financiële instelling, die als tegenpartij fungeert.

Bij een geschreven optie ontvangt de belegger een premie. Hiervoor neemt hij de verplichting op zich om de onderliggende waarden te kopen (geschreven putoptie) of te verkopen (geschreven calloptie) tegen de afgesproken uitoefenprijs. Deze verplichting kan ‘gedekt’ of ‘ongedekt’ zijn. Dekking kan worden verkregen door aankoop van een vergelijkbare, tegengestelde optie, of – bij een geschreven calloptie – door het bezit van de onderliggende waarden. Voor zover geen sprake is van dekking, moet de belegger tijdens de looptijd van de optie zekerheid stellen voor de nakoming van de verplichtingen die hij heeft wanneer de optie mocht worden uitgeoefend. Dit wordt ook wel margin genoemd. Deze margin verplichting kan zeer aanzienlijk zijn – zelfs aanmerkelijk hoger dan de eerder ontvangen premie.

Ook op termijncontracten kan de belegger aanmerkelijk meer verliezen dan zijn inleg, die meestal slechts bestaat uit de transactiekosten. Termijncontracten zijn een verplichting om tegen een bepaalde datum in de toekomst een bepaalde hoeveelheid onderliggende waarden (meestal een index, valuta, grondstoffen of landbouwproducten) te kopen (long) of te verkopen (short) tegen een afgesproken uitoefenprijs. De meeste termijncontracten die via de beurs worden verhandeld, verplichten niet om de onderliggende waarden fysiek af te nemen, maar volstaan met dagelijkse koersverrekening (‘cash settlement’). Dat betekent degene die een verplichting tot koop heeft, die dag een bedrag ontvangt als de actuele koers lager is dan de uitoefenprijs, en een bedrag moet bijbetalen als de actuele koers hoger is dan de uitoefenprijs. Bij een verplichting tot verkoop is het precies andersom. Omdat een termijncontract doorgaans betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de onderliggende waarde, kan een relatief beperkte koersverandering grote financiële gevolgen hebben.

Beleggen in opties en termijncontracten is risicovol. Dat betekent dat deze derivaten uitsluitend geschikt zijn voor beleggers met een klantprofiel dat aanzienlijke beleggingsrisico’s toelaat. Doorgaans gaat het hier om ervaren beleggers met een aanzienlijk vrij vermogen, dat niet voor andere doeleinden is bestemd. Voor andere beleggers zijn derivaten, zeker geschreven opties en termijncontracten, doorgaans niet geschikt. Mochten dergelijke beleggingen dan toch een aanzienlijk deel van de portefeuille uitmaken, zal snel sprake kunnen zijn van schending van de zorgplicht, en dus van aansprakelijkheid van de bank of betrokken adviseur.

Bovendien is de bank of effectenbemiddelaar verplicht om in geval van handel in opties of termijncontracten een speciale schriftelijke overeenkomst met de belegger aan te gaan. Deze overeenkomst bevat onder meer de verplichting tot storting van margin of koersverrekening, een omschrijving van de bijzondere beleggingsrisico’s en een verklaring van de belegger dat hij zich van deze risico’s bewust is. Het niet sluiten van deze overeenkomst kan er onder omstandigheden toe leiden dat de bank of bemiddelaar verplicht is om de posities van de belegger op eigen kosten te sluiten en/of de hierop geleden verliezen te vergoeden.

Wanneer sprake is van een margin tekort, dient de bank de belegger – bij voorkeur schriftelijk – te verzoeken dit tekort op te heffen, door geld bij te storten en/of bepaalde optieposities te sluiten. Laat de belegger dit na, dan is de bank verplicht om zelf (een deel van) de posities te sluiten. Wanneer de bank dit niet doet, kan zij aansprakelijk zijn voor de verliezen die daarna op de optieposities worden geleden. Een margin tekort of een verlies op een termijnpositie kan voorts leiden tot een (ongeoorloofde) debetstand op de geldrekening van de belegger. De bank is in dat geval verplicht om de belegger te waarschuwen, en zo nodig zelf maatregelen te nemen. Ook dient de bank niet mee te werken aan het openen van nieuwe posities.

Terug naar boven

1.5 Gestructureerde producten (‘Notes’)


In toenemende mate brengen financiële instellingen zogenoemde ‘gestructureerde producten’ op de markt. Dit zijn samengestelde beleggingsproducten, waarbij de hoofdsom garantie van obligaties wordt gecombineerd met de mogelijkheid van een hoger rendement zoals dat kan worden bereikt met zakelijke waarden (zoals aandelen) of derivaten (opties en termijncontracten op rentes, valuta, grondstoffen etc.). Het extra rendement kan worden gerealiseerd doordat de couponrente variabel is, en afhankelijk is van de waardeontwikkeling van de onderliggende waarden, of doordat de obligatie op einddatum wordt afgelost door levering van de onderliggende waarden tegen een vooraf afgesproken koers. Ook is het mogelijk dat de obligatie een couponrente van 0% heeft, waardoor deze met een korting op de nominale waarde kan worden aangekocht. Het bedrag van de korting wordt vervolgens belegd in andere waarden, meestal opties of termijncontracten.

Dergelijke gestructureerde producten kennen een groter beleggingsrisico dan gewone (standaard) obligaties met een vaste looptijd en een vaste couponrente. Wanneer sprake is van een hoofdsom garantie, geldt deze doorgaans uitsluitend op de einddatum. In de tussenliggende periode kan de waarde van de in het product opgenomen obligatie sterk schommelen. Ook kan de variabele rente uiteindelijk aanzienlijk lager uitvallen dan de actuele marktrente. Voorts is bij een deel van deze producten géén sprake van een echte hoofdsom garantie, bijvoorbeeld omdat de obligatie geen einddatum heeft (een zogenoemde perpetuele obligatie) waardoor de uitgevende instelling niet verplicht is om de hoofdsom af te lossen, of omdat de uitgevende instelling de hoofdsom mag aflossen door levering van andere waarden, die een lagere actuele koers kunnen hebben dan de omruilkoers. Gestructureerde producten worden vaak niet verhandeld op een effectenbeurs, zodat deze niet of slecht verhandelbaar kunnen zijn, wat zich vooral wreekt bij een wens tot tussentijdse verkoop. Tot slot is de kostenstructuur van deze producten vaak onduidelijk, omdat deze doorgaans zijn opgebouwd uit financiële instrumenten die niet op een openbare markt worden verhandeld (OTC), waardoor geen goede referentieprijzen bestaan. Hierdoor is het mogelijk dat de belegger te veel betaalt voor de in het product opgenomen obligatie en derivaten. De kostenstructuur heeft uiteraard een negatief effect op de rendementsverwachting, en daarmee op het risico.

Regelmatig maken beleggingsadviseurs en vermogensbeheerders de fout dat zij gestructureerde producten, vanwege de hoofdsom garantie, aanmerken als een defensieve belegging, vergelijkbaar met gewone obligaties. Als de portefeuille in belangrijke mate uit gestructureerde producten bestaat, kan sprake zijn van een onjuiste portefeuille samenstelling, als de belegger geen offensief klantprofiel heeft. Voorts kan, gelet op de enorme complexiteit van gestructureerde producten, eerder sprake zijn van schending van de informatieplicht. De financiële instelling kan dan ook op meerdere gronden aansprakelijk zijn.

Terug naar boven

1.6 Beleggingshypotheek

Een beleggingshypotheek is een hypothecair krediet waarbij is afgesproken dat (een deel van) de hoofdsom van het krediet op de einddatum van het krediet zal worden afgelost met de opbrengst van de verkoop van bepaalde beleggingen dan wel de uitkering van een zogenoemde beleggingsverzekering. Een beleggingshypotheek kan de vorm hebben van:

Binnen een beleggingshypotheek wordt niet tussentijds afgelost op de hoofdsom. Deze hoeft pas op de einddatum te worden afgelost. Hierdoor wordt tijdens de hele looptijd maximaal geprofiteerd van de fiscale hypotheekrenteaftrek. Om de hoofdsom op einddatum te kunnen aflossen, wordt door middel van belegging in effecten een kapitaal opgebouwd. Vanwege deze (veronderstelde) kapitaalopbouw, die fungeert als extra zekerheid voor de bank náást de waarde van (de hypotheek op) de woning, kan de bank een lagere hypotheekrente aanbieden. De maandelijkse inleg die nodig is om op einddatum het benodigde doelkapitaal op te bouwen, is afhankelijk van het beleggingsrendement. Hoe hoger het rendement, hoe lager de maandelijkse inleg, dus hoe lager de maandlasten.

Hieraan zijn echter ook risico’s verbonden. Meer risicovolle beleggingen zoals aandelen bieden grotere kans op een hoger rendement, maar ook grotere kans op een lager rendement of zelfs verlies. Hoe hoger het rekenrendement in de offerte, hoe groter de kans dat dit rendement, en daarmee het doelkapitaal, niet wordt behaald. Dit risico neemt nog verder toe, naarmate de inleg meer in één keer wordt gedaan - bijvoorbeeld door inbreng van de waarde van een eerdere verzekering – omdat het beleggingsrisico dan minder wordt gespreid. Ook de resterende looptijd van de hypotheek is van belang: naarmate deze korter is, wordt de kans groter dat eventuele koersdalingen niet meer kunnen worden goedgemaakt.

Dit maakt duidelijk dat ‘lage maandlasten’ en ‘zekerheid van aflossing’ haaks op elkaar kunnen staan. Een spaarhypotheek of belegging in vastrentende waarden zoals obligaties geeft een lager rendement, en daardoor een hogere maandlast, maar ook meer zekerheid dat het doelkapitaal wordt behaald. Bij aandelen is het precies andersom.

Het aanbieden van een beleggingshypotheek kan dan ook in strijd zijn met de zorgplicht, wanneer deze een grotere kans biedt dat het doelkapitaal niet wordt gehaald dan voor de klant wenselijk is, gelet op diens financiële positie en risicohouding. Dit kan zich vooral voordoen als de klant na afloop van de hypotheek in zijn woning wil kunnen blijven wonen, terwijl hij niet beschikt over voldoende financiële middelen om een eventueel tekort op te vangen. De klant dient dan te kiezen voor zekerheid van aflossing, waardoor een beleggingshypotheek – zeker als veel in aandelen wordt belegd - dan meestal ongeschikt voor hem zal zijn.

Voorts is van belang dat aan sommige beleggingshypotheken – voor die in de vorm van een beleggingsverzekering – aanzienlijk hogere kosten kunnen zijn verbonden dan aan andere hypotheekvormen. Deze hogere kosten kunnen er voor zorgen dat het binnen een beleggingshypotheek niet zinvol is om te beleggen in effecten met een lager risico, zoals obligaties, omdat hiermee – na aftrek van de kosten – onvoldoende netto rendement overblijft om kapitaal mee op te bouwen. Een zogeheten ‘woekerpolis’ waarin overwegend wordt belegd in obligaties of andere vastrentende waarden, is soms per definitie verliesgevend. De klant wordt door de kosten dan wel gedwongen om meer risicovol te beleggen.

Aan een beleggingshypotheek met beleggingsverzekering van het type ‘universal life’ zijn nog extra risico’s verbonden, te weten de zogenoemde ‘hefboom’ en ‘inteer’ effecten. Voor meer uitleg hierover verwijzen wij naar de tekst over de ‘woekerpolis’. Door deze effecten kan de klant mogelijk een beroep doen op dwaling, wat hem onder omstandigheden de mogelijkheid biedt om zijn inleg op beleggingsverzekering terug te vorderen, onder aftrek van een redelijke risicopremie voor de geboden overlijdensdekking.

Terug naar boven

1.7 Woekerpolis / beleggingsverzekering

Een beleggingsverzekering is een variant op de levensverzekering waarbij de klant recht heeft op een bepaalde éénmalige uitkering als hij op een bepaalde datum nog in leven is. De hoogte van deze uitkering staat niet vast, maar is afhankelijk van de waardeontwikkeling van de aan de verzekering verbonden beleggingen. Meestal zijn dat ‘huisfondsen’ van de betreffende verzekeraar of een met deze verbonden bank of vermogensbeheerder. In sommige gevallen kent de beleggingsverzekering een ‘garantiekapitaal’, dat op de einddatum altijd wordt uitgekeerd als de waarde van de beleggingen lager mocht zijn. Daarnaast bevat de verzekering een overlijdensdekking, die voorziet in betaling van een bedrag als de verzekerde vóór de afgesproken datum overlijdt. De overlijdensdekking is meestal een % van de waarde van de beleggingen, soms met een bepaald minimum (garantie uitkering).

Beleggingsverzekeringen zijn al langere tijd negatief in het nieuws omdat op de inleg van de klant, of de waarde van de beleggingen, ‘verborgen’ kosten en risicopremies worden ingehouden. Verborgen, omdat in de offerte en de polisvoorwaarden tot 1 januari 2008 niet duidelijk werd gemaakt hoe hoog deze kosten en risicopremies zouden zijn. Vanaf 1 januari 2008 zijn verzekeraars verplicht om deze kosten wél expliciet in de offerte te vermelden, en in de ieder jaar te verstrekken waardeoverzichten van de verzekering.

In sommige gevallen zijn de kosten en risicopremies van een beleggingsverzekering zo hoog, dat het product geen economisch nut meer heeft voor de klant, mede afgezet tegen een alternatieve, gelijksoortige vorm van vermogensopbouw, bijvoorbeeld zelf rechtstreeks beleggen in een beleggingsfonds en een aparte overlijdensdekking afsluiten. Bij beleggingsverzekeringen van het type ‘universal life’, kan ook schade ontstaan door de zogenoemde ‘hefboom’ en ‘inteer’ effecten. Deze effecten ontstaan doordat de risicopremie voor de overlijdensrisicoverzekering afhankelijk is van de waarde van de effecten. Bij een tegenvallend beleggingsrendement is de risicopremie hoger dan waarvan in de offerte is uitgegaan. Hiervoor moeten dan ook méér beleggingen worden verkocht. Door deze effecten kan versneld worden ingeteerd op het belegde vermogen. De klant kan hefboom en inteer effecten voor de toekomst zélf beperken door zijn overlijdensdekking of premie aan te passen.

De meeste verzekeraars hebben vanaf eind 2008 een compensatieregeling aan hun klanten met een beleggingsverzekering aangeboden. Een deel van deze regelingen is overeengekomen met consumentenorganisaties, en voor het overige zijn deze eenzijdig vastgesteld door de verzekeraar, meestal in overleg met de Ombudsman Financiële Diensten. Deze regelingen voorzien in een algemene compensatienorm, die geldt ongeacht het specifieke product, de verstrekte informatie en de rechtspositie en overige omstandigheden van de klant. Dat betekent dat de aansprakelijkheid in een individueel geval, ten aanzien van een individuele klant, anders groter of kleiner kan zijn dan die volgt uit de compensatieregeling. Wanneer sprake is van bijkomende omstandigheden, kan de verzekeraar of tussenpersoon voor een groter bedrag aansprakelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan misleiding of wanneer de verzekering niet passend is voor een individuele klant (schending zorgplicht of onjuist advies).

Een groot deel van de beleggingsverzekeringen heeft de vorm van een lijfrenteverzekering die overwegend is afgesloten vanwege de fiscale voordelen die daar destijds aan waren verbonden. Bijvoorbeeld in combinatie met een spaarloon of bedrijf spaarregeling. Op de verzekeringen is vaak maar een beperkte tijd premie betaald, totdat de fiscale voordelen werden afgeschaft. Het financiële belang om de verzekeraar in die gevallen aansprakelijk te stellen vanwege de hoge kosten, is dan vaak te beperkt. Mede omdat de hoge kosten (deels) zullen zijn gecompenseerd door de fiscale voordelen (dubbele lijfrente premie aftrek).

In sommige gevallen is echter sprake van een aanzienlijk financieel belang. Dit zal zich vooral voordoen wanneer al veel premie is ingelegd, zoals bij een beleggingshypotheek, een pensioenverzekering of wanneer aan het begin een hoog bedrag (koopsom) is gestort, zoals de waarde van een andere verzekering of een ontslagvergoeding of schadevergoeding. In die gevallen is er ook vaak sprake van een specifiek doel, bijvoorbeeld aflossing van een hypothecair krediet of noodzakelijke aanvulling van inkomen. In die gevallen kan het zinvol zijn om juridisch advies in te winnen, en een individuele procedure tegen uw verzekeraar te overwegen. Ook bestaat de mogelijkheid om de claims van klanten met hetzelfde product te bundelen, zoals klanten van het Koersplan van AEGON hebben gedaan. In die gevallen kan een beroep worden gedaan op aanvullende gronden, zoals dwaling, misleiding en schending van de zorgplicht. Koersplan klanten hebben dit ondertussen met succes gedaan, alsook enkele klanten met een beleggingshypotheek van Falcon Leven.

Terug naar boven

1.8 Woekerpensioen

Een ‘woekerpensioen’ is een beleggingsverzekering die door de werkgever (B polis) of werknemer (C polis) is afgesloten ter uitvoering van een door de werkgever aan de werknemer toegezegde pensioenregeling. De premie, of een deel daarvan, wordt door de werkgever vergoed. Men spreekt ook wel van een ‘beschikbare premie regeling’. In de huidige Pensioenwet heet de pensioentoezegging dan een ‘premieovereenkomst’.

Bij een woekerpensioen kunnen dezelfde problemen spelen als bij een woekerpolis. De juridische positie van de verzekerde werknemer kan echter anders zijn dan bij een woekerpolis. Onder meer omdat hij (een deel van) de premie niet zelf betaald en/of de polis niet op zijn naam staat (B polis). Ook zijn woekerpensioenen vaak nog complexer, omdat deze aan ingewikkelde fiscale regels zijn gebonden, en vaak voorzien in allerlei soorten risicodekkingen, zoals nabestaandendekking, arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid en/of werkloosheid.

In 2010 hebben de grootste verzekeraars, in samenspraak met de Ombudsman, een compensatieregeling bekendgemaakt voor werknemers met een dergelijke verzekering. Consumentenorganisaties zijn hierbij niet betrokken geweest, en hebben de regeling dan ook niet inhoudelijk kunnen beoordelen. Opvallend is het relatief lage bedrag dat aan compensatie wordt uitgekeerd (circa € 200 miljoen) ten opzichte van de miljarden premie die zijn ingelegd.

Terug naar boven

2. Mogelijke procedures

Financiële klachten kunnen op diverse manieren worden opgelost. Het is verstandig, en voor sommige procedures ook verplicht, om eerst te proberen in overleg met de financiële instelling tot een oplossing te komen. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen vergoeding van al geleden en eventueel nog te lijden schade en aanpassing van de beleggingen om toekomstige schade te voorkomen of te beperken. Vaak is een financiële instelling wel bereid om aan het laatste mee te werken, en bijvoorbeeld een kostenloze overstap naar andere beleggingen of een ander product mogelijk te maken. Daarnaast is de instelling soms ook bereid een deel van de al geleden schade te compenseren. Is dit niet het geval, of wordt voor u geen bevredigende oplossing bereikt, dan is het van belang om een formele, schriftelijke klacht in te dienen. De instelling is verplicht om deze klacht in behandeling te nemen en hierop in beginsel binnen 6 weken schriftelijk te reageren. Als u klacht niet naar uw genoegen wordt opgelost, kunt u juridische vervolgstappen nemen. Meestal is dit een klachtprocedure bij KIFID of een procedure bij de Rechtbank. Hieronder gaan wij nader in op deze procedures.

Terug naar boven

2.1 Klachtenprocedure KIFID

De meeste Nederlandse financiële instellingen zijn aangesloten bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KIFID). Of de instelling waartegen u een klacht wilt indienen, is aangesloten, kunt u zien in het register op de website van KIFID (www.kifid.nl).

KIFID is niet bevoegd als de klachtzaak al aanhangig is bij of hierover al een uitspraak is gedaan door de rechter, scheidsgerecht of andere geschilleninstantie of als het gaat om een collectieve actie van een belangenorganisatie: KIFID behandelt alleen individuele klachtzaken. De Geschillencommissie is ook niet bevoegd als het financiële belang van de klacht groter is dan € 1 miljoen of wanneer de klacht niet aan de instelling is voorgelegd binnen één jaar nadat de feiten waarop deze betrekking heeft zich hebben voorgedaan.

Uw klacht bij KIFID moet zijn ingediend binnen 3 maanden nadat deze door de financiële instelling is afgewezen. De klacht wordt eerst behandeld door de Ombudsman Financiële Dienstverlening. Dit is voor een consument kosteloos. De Ombudsman bemiddelt tussen de partijen en hij kan ook zelf een oplossing voorstellen of een aanbeveling doen. De Ombudsman kan echter geen bindende besluiten nemen. De partijen zijn vrij om een schikking aan te gaan of om een voorstel of aanbeveling van de Ombudsman te volgen.

Wordt uw klacht bij de Ombudsman niet naar uw tevredenheid opgelost, dan kunt u de klacht voorleggen aan de Geschillencommissie van KIFID. De Geschillencommissie doet een uitspraak die voor de partijen bindend is. De kosten hiervan bedragen € 50 voor de consument. De procedure bij de Geschillencommissie lijkt op de procedure bij de rechter: een schriftelijke klacht, gevolgd door een schriftelijke reactie van de instelling, meestal gevolgd door een tweede schriftelijke ronde (repliek en dupliek) en uiteindelijk een hoorzitting. De commissie kan ook inlichtingen bij de partijen inwinnen en getuigen en deskundigen horen, maar zij heeft, anders dan de rechter, geen middelen om dit juridisch af te dwingen. Meestal doet de Commissie na de hoorzitting uitspraak. Deze heeft de vorm van een bindend advies. Als de klager in het gelijk wordt gesteld, kan de Commissie de instelling veroordelen tot betaling van de door de klager gemaakte proceskosten tot een maximum van € 5.000, plus de kosten van eventuele getuigen of deskundigen. De uitspraak is echter niet bindend voor de instelling, als aan de klager een bedrag van meer dan € 100.000 is toegewezen (of meer dan € 250.000, als de instelling een bank of verzekeraar is die lid is van de Nederlandse Vereniging van Banken of het Verbond van Verzekeraars). Als de instelling de uitspraak dan niet nakomt, dient de klager zich alsnog te wenden tot de rechter, om een bindende uitspraak te krijgen.

Als de uitspraak bindend is, kan iedere partij die het niet eens is met deze uitspraak, binnen 6 weken in beroep gaan bij de Commissie van Beroep als het financiële belang van de klacht groter is dan € 25.000. Behandeling door de Commissie van Beroep kost € 500. De procedure is vergelijkbaar met die van de Geschillencommissie. De Commissie van Beroep doet in laatste instantie een definitieve, bindende uitspraak. Deze uitspraak is echter niet bindend als aan de klager een bedrag van meer dan € 100.000 wordt toegewezen, dan wel – als de instelling een bank of verzekeraar is – meer dan € 250.000.

Voornaamste voordelen van een procedure bij KIFID zijn de lagere proceskosten en de specifieke deskundigheid van de medewerkers van KIFID op het terrein van financiële diensten en producten. Nadeel is dat de procedure relatief lang kan duren, omdat eerst de fase van de Ombudsman moet worden doorlopen, ook als al tevoren duidelijk is dat partijen in deze fase vermoedelijk niet een schikking zullen komen. Voorts is de KIFID procedure mogelijk minder geschikt voor financiële klachtzaken met een belang groter dan € 250.000 (bij een klacht tegen een bank of verzekeraar) of € 100.000 (in andere gevallen), omdat de uitspraak in dat geval niet bindend is voor de instelling. Overigens zal een klager van wie de klacht door de Commissie is toegewezen, uiteraard wel een stuk sterker staan bij de rechter.

Bijstand van een advocaat is niet verplicht in de klachtprocedure van KIFID. Indien sprake is van een groter financieel belang, is het echter verstandig u te laten bijstaan door een advocaat, jurist of andere deskundige die voldoende kennis heeft van het financiële recht en ervaring heeft met het voeren van dergelijke klachtprocedures.

Terug naar boven

2.2 Procedure bij de Rechtbank

Wanneer de Geschillencommissie van KIFID niet bevoegd is, worden financiële klachtzaken in beginsel behandeld door de Rechtbank van de vestigingsplaats van de instelling (resp. van het kantoor waar de diensten zijn afgenomen) dan wel de woonplaats van de consument.

Financiële klachtzaken met een belang van meer dan € 1 miljoen, of collectieve acties in geval van financiële massaschade, dienen altijd aan de rechter te worden voorgelegd. Ook dient de zaak aan de rechter te worden voorgelegd als bepaalde termijnen zijn verstreken: KIFID stelt onder meer de eis dat de klacht binnen één jaar aan de financiële instelling moet worden voorgelegd. Voor de rechter geldt een verjaringstermijn van 5 jaar.

Een procedure bij de Rechtbank start met het uitbrengen van een dagvaarding aan de gedaagde financiële instelling. Deze dagvaarding omvat de (schade)vorderingen en de gronden daarvoor. De instelling krijgt hierna gelegenheid om schriftelijk te reageren in een zogenoemde Conclusie van Antwoord. Meestal worden de partijen hierna opgeroepen om bij de rechter te verschijnen in een zogenoemde Comparitie van Partijen. Deze Comparitie geeft de rechter de gelegenheid om rechtstreekse vragen te stellen aan de betrokken partijen, om de mogelijkheden van een schikking te onderzoeken of, als dit niet mocht lukken, afspraken te maken over het verdere verloop van de procedure. Het kan zijn dat één of beide partijen een bewijsopdracht krijgen, bijvoorbeeld door het horen van getuigen of deskundigen. In andere gevallen kan de rechter ná de Comparitie een uitspraak (vonnis) doen. Partijen hebben de mogelijkheid om tegen het vonnis in hoger beroep te gaan bij het Gerechtshof. De procedure bij het Hof bestaat uit een wisseling van schriftelijke processtukken (Memorie van Grieven van de partij die in hoger beroep gaat en Memorie van Antwoord van de andere partij), eventueel gevolgd door een pleidooi. De zaak kan ook beginnen met een Comparitie na Aanbrengen. Dit is een zitting bij de rechter met de partijen die plaatsvindt nog vóórdat de inhoudelijke processtukken door de partijen zijn ingediend.

De kosten van behandeling van een zaak door de rechter zijn aanzienlijk hoger dan de eigen bijdrage in een klachtprocedure bij KIFID. Per 1 juli 2011 bedragen deze griffierechten voor de consument bij de Rechtbank € 800 (geschillen tot € 100.000) of € 1.400 (geschillen boven € 100.000) en bij het Gerechtshof € 649 tot € 1.475 (idem, tot of boven € 100.000). Ook is bij de civiele rechter, anders dan bij KIFID, vertegenwoordiging door een advocaat verplicht (behalve bij de Sector Kanton, die oordeelt over vorderingen tot € 25.000). Vertegenwoordiging door een jurist of andere deskundige die niet als advocaat is ingeschreven bij de Nederlandse Orde van Advocaten, is niet mogelijk.

Voornaamste nadelen van procederen bij de rechter zijn de meestal hogere proceskosten en de minder evidente deskundigheid van de meeste rechters op financieel terrein. Voornaamste voordelen zijn de ruimere mogelijkheden om bewijs te vergaren en getuigen of deskundigen onder ede te horen, en de mogelijkheid om in één instantie een direct bindende, en uitvoerbare uitspraak te krijgen ongeacht het financiële belang van de klacht. De uitspraken van de Geschillencommissie en Commissie van Beroep van KIFID zijn niet bindend als aan de klager een bedrag van meer dan € 250.000 (bank of verzekeraar) resp. € 100.000 (andere instellingen) wordt toegewezen. Ook kan de instelling de uitvoering van de uitspraak opschorten door in beroep te gaan, terwijl een vonnis van de Rechtbank meestal niet wordt opgeschort door een eventueel hoger beroep (‘uitvoerbaar bij voorraad’).

Terug naar boven